Banner

Flying Horseman

9 maart 2018, Handelsbeurs

Guy Peters - 10 maart 2018

Voor de derde keer op rij koos Flying Horseman de Gentse Handelsbeurs uit als locatie voor hun albumvoorstelling. Voldoende om bijna te kunnen spreken van een thuismatch voor een band die blaakte van goesting en zelfvertrouwen, en de (zelfgecreëerde) hoge verwachtingen moeiteloos inloste.

Daarvoor speelde Brusselaar Clément Nourry een korte instrumentale set. Net als bij Bert Dockx is ’s mans gitaarspel moeilijk vast te pinnen of terug te leiden tot één duidelijke invloed. Nu en dan herinnerde het aan de folk van John Fahey, maar er waren ook zijstappen naar het abstracte experiment met ongebruikelijke speeltechnieken, terwijl het hoogtepunt van de korte set vooral verwant was aan de speelse manier waarop Andy Moore en Yannis Kyriakidis omspringen met de rebetika-traditie. Afsluiten deed hij met een fraaie, ontbeende bewerking van Depeche Mode’s “Enjoy The Silence”.

Een groot bindtekstenkampioen zal Flying Horseman-voorman Bert Dockx nooit worden (het duurde ook nu weer een paar songs voor een gortdroog “Merci!” hem ontglipte), maar het is wel opvallend hoe ’s mans lichaamstaal sinds de begindagen van de band veranderd is. Stond hij er aanvankelijk regelmatig vrij stijf bij, zelfs in de momenten dat hij de verbetenheid uitspuwde, dan kregen we nu bij wijlen een flamboyante bandleider te zien die z’n teksten niet alleen kracht bijzette met breed aangezette gebaren, maar ook stond te grijnzen, de gitaar in het rond zwierde en soms zowaar een dansje plaatste (stond hij z’n publiek echt te verleiden in “Faithfully Yours”?). Je zou voor minder, want ondanks het vertrek van Milan Warmoeskerken na de opnames van Rooms / Ruins, stond deze band er als een hecht blok, een vijfkoppig organisme dat nog altijd een immense weldaad tentoonspreidt, maar die met opvallend gemak uit de mouwen schudt.

Mooi om te zien hoe Dockx en bassist Mattias Cré al in opener “Deep Earth” postvatten tegen het drumstel van Alfredo Bravo. Met z’n drieën op een kluitje, het bracht zowaar herinneringen teweeg aan de no nonsense garagebandpuurheid van Crazy Horse. Maar Loesje en Martha Maieu, met die laatste deze keer ook op gitaar, zijn al net zo belangrijk voor de gelaagdheid van de sound en de voluptueuze commentaarstemmen bij de psychodrama’s die bij momenten messcherp uitgetekend werden. En als Rooms / Ruins bij een eerste oppervlakkige beluistering misschien wat lichtvoetiger en waziger klinkt dan de meer aardse voorganger Night Is Long, dan was nu ook weer de conclusie dat een goeie liveband er altijd nog een schepje bovenop doet.

Op een podium wordt immers pas duidelijk hoe flexibel die ritmesectie is (“Fever Room”), hoe bepalend de Maieus zijn voor de details, de inkleding en sfeer van een song (“Reverie”), en hoe divers het gitaarspel van Dockx is (take your pick). Of hoe het vijftal erin slaagt om de climax voor zich uit te blijven schuiven in songs als “Private Isle”, met z’n tochtige slide-gitaar, tintelende toetsenwerk en sensueel kronkelende ritmes. Het totaal was een samengaan van beweging én dromerigheid, een trance met een knoert van een ontlading. Iets verderop nog zo eentje: “Bright Light”, nu al een volbloed Flying Horsemanklassieker, uitgevoerd met ruwe randjes, maar ook een knetterende intensiteit. Die werd eigenlijk ook aangehouden voor “Faithfully Yours” -- jongens, wat een leep slepende bas -- dat sensueler dan ooit klonk, “America Is Dead”, na al die jaren nog altijd goed voor een lichte huivering, en het krols dansende “City”, dat even knikte naar Dans Dans’ “Au Hasard” zoals “Fever Room” dat nog wat explicieter doet met “Vluchtheuvel”.

“Money” is Flying Horseman in baldadige breedbeeldmodus, een song waarin Dockx zich kan opwerpen als een donderprofeet die à la Nick Cave de manschappen opzweept op een heftig en strak bonkend galeienritme dat plotsklaps ingeruild wordt voor een manisch bonkende puls, als een hardnekkige hartslag die zich klaarmaakt voor een ontlading waarbij je oren niet weten waar te beginnen. Op zich het ideale einde, maar nog aangevuld met een minder evident “Ruins” en een stekelige versie van “Brother” die uitgevoerd werd met het mes tussen de tanden en de band van een draf naar een galop en, uiteindelijk, een triomfantelijke eindspurt voerde. Kortom: ook als vijftal toonde Flying Horseman zich een band met een sound en allure die al jaren indruk maakt, maar intussen ook kan terugvallen op een discografie die stilaan uniek is. In dit land, maar net zo goed erbuiten.

E-mailadres Afdrukken