Banner

Pukkelpop 2018

's Werelds langzaamste circle pit

(ep), (ndl), (pvw) en (mvs)  - foto's: Nick De Baerdemaeker, Jan Van den Bulck & Mich Segers - 16 augustus 2018

Pukkelpop, dat lastig en taai lief dat zich meer en meer van ons verwijdert. En toch blijven we proberen, toenadering zoeken en concessies doen: "als wij naar Dua Lipa gaan kijken, programmeer je dan ook iets goéds – toé schat?" Hier staan we dus, op de Heilige Grond van Kiewit. Entertain ons. En vlug een beetje, als het kan!

Donderdag 16 augustus

Een loden hitte. Een terrein dat blakert onder zon. Een reporter die quasi-kneedbaar is geworden. Ideale omstandigheden? Tuurlijk, wij trotseren alle elementen. Dag één is go, maar ruikt nu al een beetje ranzig. Sorry daarvoor.

Tussen de geur van shag en lauw bier vergast worden op klassieke klanken als aftrap van Pukkelpop, qua crossover kan het tellen. Onder leiding van Jef Neve wisselden meer dan twintig muzikanten van onder andere Crossbones Trombone Collective af tussen stevig klassiek werk – Bruckner, Vivaldi, Richter en Gjeillo passeren de revue – en herkenbaarder melodieën voor hedendaagse popliefhebbers – ook de kenwijs van Game of Thrones ontbrak niet. Interessant en minstens een half uur erg begeesterend voor een niet alledaags publiek, al is het jammer dat de aandachtsboog spanning mist op het hoogtepunt van de set. Neves eigen composities, die nog het meest doen denken aan vroege Nils Frahm, moeten in niks onderdoen voor eerder gebracht materiaal. Of de Marquee van Pukkelpop de ideale setting is voor een dergelijk optreden, laten we graag in het midden, maar de aanzet was alleszins lovenswaardig.

Wie we dààr hebben! Geppetto & The Whales gingen na debuut Heads Of Woe zo hard de vergetelheid in, dat hun terugkeer vier jaar later even doet opkijken. Maar dat het Noord-Kempische gezelschap dus terug is. Mét een nieuwe single, een nieuw bandlid, en – helaas – een ongewijzigd geluid. Alsof Fleet Foxes zelf al niet jaren is afgestapt van die zeemzoeterigheid, domineert de meerstemmigheid als vanouds, maar nog meer dan vroeger krijgen we countryrock van de War On Drugsschool. Precies waar ook Douglas Firs, The Calicos en – met zijn puike nieuwe plaat die in september uitkomt – zelfs The Bony King Of Nowhere tegenwoordig uithangen. Het wordt druk in de Vlaamse country. Al een geluk dat Laura Lynn dat van die linedance op haar nieuwste plaat niet echt ernstig bedoelt.

altGroot is de stap naar Thunderpussy, vuilgebekt vrouwvolk uit Seattle, danig in de markt geplaatst door aanhoudende lof van Pearl Jamgitarist Mike McCready. 't Is fijn om ouderwets gerammel – denk Shirley Manson zonder remmen – te horen op een zomerfestival. Thunderpussy heeft stevige songs die een tent in het zenit jagen, maar wisselt die af met rammelende gitaren richting nergens en stevige drums voor niemand. Thunderpussy is bijwijlen nostalgisch genieten, doet denken aan Joan Wasser die in de kleerkast van The Darkness is gevallen en covert Jefferson Airplane beter dan Jefferson Airplane zelf, maar het blijft toch vooral een leuke gimmick.

Phoebe Bridgers, een blonde sirene uit LA, koestert de zon als had ze hem zelf heeft meegebracht, en geen mens die er zijn humeur bij verliest. De blonde schone vertelt verhalen om jonge meisjes te bezweren, en doet dat op haar best net zo goed als Laura Marling of KT Tunstall, maar helaas ook te vaak te monotoon. We hebben – voor het eerst sinds lang – aan Krezip gedacht. Dat is een anagram van perzik, dat zegt genoeg. Phoebes lieflijke melodieën zijn leuk voor even, maar na vijftig minuten hadden we nood aan een First Aid Kit. En kan dat geluid in deze Clubtent alstublieft wat beter, dankuwel?

altAnder euvel, even vervelend, en toch geen bezwaar: Kelly Lee Ownes sukkelt met de gezondheid en heeft haar stem onderweg naar Kiewit ergens verloren gelegd. Dan maar alles op de instrumenten inzetten, en daar vol voor gaan. Alsof dat lijf nergens hapert gaat Owens tekeer tussen haar instrumenten, nu eens hamerend op haar drumpad, dan weer stevig aan de knoppen draaiend, en de warme elektronica die dat oplevert neemt ons mee op een reis naar de andere kant van de nacht. Die laat nog even op zich wachten, maar daar is in de tent niets van te merken. Zelfs al piept Owens of er niemand haar kan redden aangezien er nu niéts meer uit haar strot komt, dit is een concert dat van intieme trip naar clubnacht gaat. Van een cover van Aalyahs "More Than A Woman" gaat het naar beukende boilerbeats, en de vraag stelt zich: wat als ze effectief in die platte boenktent zou staan? Het antwoord komt aan het einde van de set van een jongen in onze buurt, wanneer hij verrast opmerkt: "Waw, het is al licht!" Pukkelpops dansnacht is vandaag vroeg begonnen.

Dirty Projectors is een kleinood, zo’n band waarbij elk detail telt. Live kan een dergelijk oneindig gepriegel al eens aan subtiliteit inboeten, zeker wanneer je in een tent staat waar de mix de muziek tot brij samenperst. Jammer, want de band heeft er goesting in, en heeft een zak vol songs die perfect aftoetsen waar je heen wilt en je daar ook brengen. "Break-Thru", vroeg in de set, is er zo een, "That’s A Lifestyle", met zijn ongegeneerde hedonisme, een andere, op een geluidstechnisch beter moment. Check Dirty Projectors als ze nog eens in de buurt zijn, want het kan allemaal een stuk raker zijn dan wat de jongens op Pukkelpop gegund werd.

altNog zo’n band die het midden houdt tussen cocktails drinken op een zomerdag zo lijzig als Alejandro Pozuelo en uithalen met een moker waar Gilles De Bilde ‘wacht even’ tegen zegt, is Unknown Mortal Orchestra. Tijdens "So Good At Being In Trouble" en "Not In Love We’re Just High" wanen we in ons in oorden die weinig met een Limburgse weide gemeen hebben, maar waar het leven niet minder gevierd wordt. Was Unknown Mortal Orchestra eerder deze zomer op Best Kept Secret nog wat zoekend, dan heeft de band vandaag een stem gevonden die de middag zonder mededogen richting zonsondergang stuwt.

Veel volk voor de Main Stage. Iedereen wil Dua Lipa zien. Iedereen? Neen. Eén duo houdt moedig stand, en wil liefst zo snel mogelijk hier vandaan. Toegegeven: La Lipa doet meer moeite dan Rihanna twee jaar geleden, maar voor het overige is ook dit een bloedeloze, routineuze popshow met een stel generisch spelende muzikanten – gezicht op 'het is een job' – en een klankbalans die 'fuck nuance' spelt. Random alleszeggend citaat uit het publiek: "Ik vind die zo mooi. Heb je haar mama al eens gezien?"

Snel even ontsmetten met het lawaai van Shellac en dan naar de Castello, waar James Holden blazers, percussie en ja, wat eigenlijk, heeft meegebracht om zijn Animal Spirits kracht bij te zetten, maar de techniek het laat afweten. De beats geven niet altijd thuis bij het begin van de set, waardoor je toch vooral naar een eeuwigdurende drumsolo zit te luisteren. Wanneer het tuig node heropgestart is, toont Holden dat hij als geen ander een set kan opbouwen die varieert tussen koude elektro en warme beats, niet zelden aangeblazen door de sax. Een uurtje is wat kort om een naar Björk neigende trip richting Utopia te maken, maar desalniettemin: goeie beslissing om Animal Spiritis zo in te kleuren, en een fijn concert.

In de Dance Hall bereidt Tourist LeMC zijn grote terugkeer voor. Neen, er is nog geen nieuwe single, dus dit is niet meer dan een rondje "hits afstoffen". En dat mag, blijkbaar. Alsof hij niet even rustig aan de zijlijn is gaan staan, wordt Johannes Faes ingehaald als een echte volksheld. Het geluid mag dan ronduit bagger zijn – meer ingesteld op de beats die hier doorgaans neerkletsen dan op de meer subtiele melodieën van Tourist – "Mijn Stad" en "En route" worden meegebruld als moderne klassiekers, het enthousiasme waarmee "Koning Liefde" wordt omarmd brengt Faes even uit balans. "Ik doe gewoon een freestyle of zo", pareert de bokser, om zijn muzikanten toch maar snel weer richting refrein te dirigeren. Opvallend hoe de kleinkunstachtige bezetting van de En route-tour opnieuw is veranderd, en de Legionairs zijn uitgedund tot een spaarzaam trio -– af en toe aangevuld met een blazer -- dat zich in een lichtmuur schuilhoudt. Wenkt een nieuwe richting voor Tourist LeMC? Geen idee. Nieuwe nummers krijgen we niet, wel de John LundströmKcover "Dauwe jongens dauwe". Nog even wachten dus, maar aan het warm welkom terug te zien worden de fifteen minutes of fame van Tourist LeMC nog wel even verlengd.

Een dikke maand geleden zagen we Aurora een Slovaaks festival inpakken alsof ze een wereldster was. Vandaag valt de set van de kleine Noorse dood. Met een tweede album op uitkomen blijkt aan de formule van debuut All My Demons Greeting Me As A Friend niets veranderd. En een formule is het. Van bij "Queendom" – Ruslana uit de meisjeskamer – verloopt ongeveer elk nummer volgens hetzelfde patroon: ingetogen begin, langzaam openbarsten, om dan te exploderen in een spervuur van donderende drums. Soms gaat dat goed, soms gaat de dramameter in het rood, als bij de vrijdag verschijnende tweede nieuwe single "Forgotten Love", een nummer waarin Aurora meer Florence Welsch is dan goed voor haar is. Het euvel? Onder al dat effectenbejag gaan al bij al erg middelmatige songs schuil, en Aurora heeft niet meer dan haar innemende persoonlijkheid – 120% enthousiasme en bizarre gebaartjes – om die verkocht te krijgen. Hoe leuk en schattig we deze zangeres ook vinden: het blijft een though sell.

altEr was onweer voorspeld, en The War On Drugs is een band die zijn beloftes nakomt. Dat mocht wel, want een ontgoochelende passage in Vorst – meer de fout van de zaal dan die van de band, u kent het verhaal – zat nog in ons systeem. Gelukkig niks daarvan op Pukkelpop. Al bij openingssalvo "Nothing To Find" en "Pain" -- toch niet meteen de grootste publiekslievelingen -- blijkt de groep stevig te rocken, wars van alle compromissen. Er mag een snaar springen, een sax overblazen worden of een cimbaal aan gort geslagen, zeker wanneer in het midden van de set wél dat salvo aan hits volgt. "Burning" blijft een oerschreeuw uit het diepe, "Red Eyes" zo’n rocknummer waar niemand iets op tegen kan hebben, "Eyes To The Wind" de noodzakelijke trage in het midden, maar dan wel een valse trage die zoveel weemoed opwekt dat je meteen erna weer zin hebt om je hoofd te verliezen. En wat dan gezegd van "Strangest Thing", een song en een gitaarsolo waarvoor het lemma superlatief ootmoedig het hoofd buigt, of de uithaal die "Under The Pressure" live telkens weer geworden is, zo lang uitgesponnen dat het wel een eeuwigdurend mantra lijkt. Kanttekening in de marge, waar ze hoort: als je zelfs tijden het tempeesten van "Under The Pressure" technobeats van de andere kant van de weide hoort, een veelvoorkomend euvel daar in Kiewit, heb je misschien wat veel podia opgesteld.

Je kunt The War On Drugs, als je dat soort persoon bent en op zondagmorgen niks anders te doen hebt nu De Zevende Dag met zomerreces is, wellicht verwijten dat veel van hun epische songs wat van elkaar weghebben. Dat mag, en het is geeneens volledig onterecht, maar is er een van die nummers dat je als overbodig catalogiseert? Welaan dan. Zo gebeurt het ook vandaag. The War On Drugs wint nog wat zieltjes, voor zoverre dat nog nodig was, en heeft op het einde de lome zomerdag richting vervaarlijke avond gestuwd. Veel meer kun je van een festivalset niet verwachten.

Headliner één zit achter de kiezen, aan Trixie Whitley om de overgang naar de tweede te maken. Het lijkt een ondankbare taak, dat minutieus afgelijnde slot tussen twee van de grootste hedendaagse bands opvullen op een podium een eindje verwijderd van de Main Stage, maar desalniettemin loopt de Marquee storm voor Gents nachtegaligste. Komt ervan, als je een reputatie zo berucht als de nacht met je meedraagt.

Maar wat voor een nacht, en wat voor een nachtegaal ontbloot zich aan ons oog. Gekleed in een cape als kwam ze recht uit Bergmans Zevende Zegel opent ze ietwat makjes aan het keyboard, maar van zodra Whitley de piano inruilt voor de gitaar – op "Soft Spoken Words" bijvoorbeeld – gaat het dak eraf. Is het de rood-wit-zwarte kleurencombo, is het dat bevlogen gitaarspel, of de combinatie lieflijk lachen-vervaarlijk uithalen, geen idee, maar zelden hebben we iemand dichter bij Jack White zien komen. Diep in de set kiest Whitley voor nieuw werk, en legt dat zo ontwapenend uit dat het publiek reageert alsof ze net drie vaten heeft aangebroken. Dat nieuwe werk sluit naadloos aan bij wat Whitley altijd al groot maakte, haar handel in een variatie aan vervoering is bijlange niet uitgeput. En nu snel weg, want Het Moment is aangebroken. Of niet?

Everything Now is ondertussen al een jaar een splijtzwam op de luxecruises die de Enolaredactie halfjaarlijks maakt, maar dat Arcade Fire de band is die live het best de tijdsgeest vat, staat daarbij altijd buiten kijf. Doorgaans doen de Canadezen dat in een set van dik twee uur, die de toeschouwer door elke emotie en ervaring in het spectrum sleurt, maar vandaag moet het in anderhalf, en dat merk je. Openen doet de band, noblesse oblige, met "Everything Now", en hoewel het nummer nauwelijks dik een jaar oud is, voelt het routineus aan. De intro, het aftellen, de uithalen, we hadden even geen zin in het voorspelbare "Rebellion (Lies)" erna. Maar kijk, plots ploffen Butler en de zijnen er "Neighborhood #3 (Power Out)" tussen, en zit het vuur wel aan de lont.

altHet zal een hele avond balanceren blijven tussen iets wat naar routine neigt, en het onvoorspelbare antwoord daarop. Zo wordt "Rococo”’, eveneens vroeg in de set, uitgekleed, maar heeft de keizer zonder kleren weinig om mee uit te pakken, en zijn ook "Electric Blue" en "Put Your Money On Me" wat ze altijd zijn, kabbelende banaliteit die niet stoort maar nimmer vervoert. Ook "The Suburbs" en "Ready To Start" doen routineus aan, en wanneer Butler een hautaine buiging richting toehoorders maakt, voelen we ons de risée, alsof we plots deel uitmaken van het cynische Arcade Fire, dat ietwat elitair overal de spot mee drijft.

Het laatste derde van de set krijgt wel de begeestering die we voorheen wat missen, met een stomend "Sprawl II", "Reflektor", met die immer heerlijke Bowiecameo en "Afterlife", het muzikale equivalent van De Bruynes streep tegen de Brazilianen. Ook "Creature Comfort", helemaal aan het gaatje, krijgt wel nog de bezieling die andere Everything Nowsongs missen, en "Wake Up", voor de Queen of Soul, die nimf van weleer, is altijd een feest.

We kregen, op de sterfdag van Aretha Franklin geen grand cru Arcade Fire, omdat er niet veel te feesten was. Maar misschien ook omdat Arcade Fire deze tour al wel lang rekt – derde halte in België - en de elastiek ietwat op breken staat. We hebben genoten, want met Arcade Fire is het altijd feest, maar we hebben Arcade Fire al wel beter gezien. Alle voorgaande keren, namelijk.

Tijd om uit te bollen, maar daar heeft Pukkelpop een stokje voorgestoken met een fijn nieuw concept om de dag mee af te sluiten: Eppo Janssen & Friends. Als in een opgestoken middelvinger naar zijn eigen line-up draaien de sympathieke programmator en enkele vrienden in de Castello de beste rocktunes van de afgelopen zestig jaar op een dansfeestje dat dat in de naastgelegen Boiler naar de kroon steekt. U vindt ons misschien oude sokken, maar wat waren wij blij met "I Wanna Be Adored" van Stone Roses, en wat was "Somebody Told Me" een prachtherinnering aan een tijd toen The Killers nog een aanstormend bandje waren. Terwijl buiten donkere wolken zich even samenpakken boven het festivalterrein – de drash houdt zich gelukkig nog even in – dansen we ons naar het einde van de nacht. Maar kunnen we afspreken dat "Born To Run" afknippen voor de bridge heiligschennis is, Eppo? Verder geen klachten, volgend jaar willen we dit drie avonden op rij.



E-mailadres Afdrukken
Tags: Pukkelpop