Banner

JazzLab 2.5

26 september 2018, Flagey

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 27 september 2018

25 jaar concertreeksen en een professioneel platform voor de Belgische jazz (plus nog wat nevenactiviteiten), dat verdient een feestje. En dus werd JazzLab Series uitgebreid gevierd met -- hoe kon het ook anders? -- de voorstelling van drie nieuwe projecten die het komende seizoen de hort op gaan. Dat de organisatie intussen z'n sporen verdiend heeft was duidelijk, want zowat de hele Belgische jazzsector tekende present.

JazzLab Series is actief in heel wat zalen en clubs doorheen Vlaanderen en Brussel, maar zal vermoedelijk nog maar zelden muzikanten afgezet hebben in een zaal die zo prestigieus is als Studio 4 van Flagey. Het paradepaardje van het gebouw heeft de reputatie een akoestisch wonder te zijn en biedt zitcomfort (ah, die beenruimte) dat zelfs naar jazznormen buitengewoon is. Brussel, dat betekent ook elke keer een gigantische talensoep en aankondigingen en speeches die Nederlands, Frans en Engels op een hoopje gooien, maar het kon de pret niet bederven.

Alhoewel. De muziek die Lynn Cassiers presenteerde met haar Imaginary Band is niet bepaald prettige jazz van de swingende, goedgeluimde soort. Hoe haar eigenlijke JazzLab-project ‘Yun’ zal klinken, is afwachten tot december, maar zoals we al eerder konden vaststellen is haar vorige eentje dat volop inzet op haar schizofrene inspiratie. Aan de ene kant heb je het pianotrio Erik Vermeulen, Manolo Cabras en Marek Patrman, een stel dat elkaar zelfs bij een stroompanne in een kelder moeiteloos vindt, aan de andere kant rietblazers Sylvain Débaisieux (sopraan- en tenorsax) en Sam Comerford (bassax), en violiste Ananta Roosens. Ergens tussen die twee polen zit het etherisch-bedwelmende geluid van Cassiers (zang, elektronica).

In de lente klonk dat nog wat stijf in de Handelsbeurs, maar tijd en extra concerten hadden duidelijk hun werk gedaan, want de muzikanten leken deze keer dichter op elkaars huid te zitten en vormden een organischer geheel. Nochtans bleef er regelmatig ook wel een wrijving in zitten: tussen die twee trio’s, maar ook soms elders, wanneer de iele sprongen van Cassiers geëchood werden door Roosens, of wanneer het even leek alsof er twee bands vochten om dominantie. “Waterfall”, zo’n beetje de vooruitgeschoven single van het album, zette de onwereldse toon van exploratie en vervreemding en die werd gewoonweg aangehouden. Dromerig, delirisch en soms taai, met passages die herinnerden aan de avant-pop van Björk, en Cassiers die er ineens doorheen waaide als een lichtjes ontspoorde jazzchanteuse.

Het gaat duidelijk goed met Dré Pallemaerts. Niet zo lang geleden werd hij in de kijker gezet met Coutances, hij speelde onlangs nog mee met het piekfijne kwartet van Ben Sluijs, en nu stelde hij -- duidelijk opgetogen -- zijn nieuwe kwartet Seva voor. Daarin wordt hij omringd door de Nederlander Clemens van der Feen, een van de meest secure bassisten uit deze regio, en Duitsers Pablo Held (piano) en Sebastian Gille (tenorsax). De band had in de aanloop naar het concert een paar dagen geoefend in Flagey en dat viel er aan te horen. De composities, die hier en daar nochtans redelijk onvoorspelbaar klonken, vloeiden vlot uit de vingers, waarbij vooral de hechte interactie tussen Held en Pallemaerts opviel.

Meest ongewoon was misschien wel het spel van Gille, een blazer die er staat met een wat eigenaardige, verkrampte houding en de onderzijde van zijn sax zo ver mogelijk naar achter lijkt te willen stoten. Wat er vervolgens uitkwam qua sound was al even opmerkelijk: een fluwelen, bijna houtachtige klank, die soms bijna naar een klarinet neigde en geproduceerd werd met een (schijnbaar) enorme lipspanning en concentratie. Het paste alleszins in het groepsgeluid, dat werd gevoed door het doorgaans sobere spel van van der Feen (dat werd aangevuld met trefzekere strijkstokpassages), de soms theatrale franjes van Held, en natuurlijk het muzikale, zwierige drumwerk van Pallemaerts, een leider die zonder krachtpatserijen toch een enorme vrijheid uitstraalt en een meester is in het spelen met textuur en nuance. Hij laat de kit zingen.

Pianist Hendrik Lasure komt pas in april 2019 aan de beurt, maar mocht nu zijn ‘warm bad’ al voorstellen. Daarvoor doet hij beroep op maar liefst drie gitaristen, een bassist, een rietblazer (opnieuw Sam Comerford, een collega in Thunderblender, deze keer op tenorsax) en Casper Van de Velde, zijn drummende maatje bij SCHNTZL. Op voorhand werd gewag gemaakt van avontuurlijke jazz en dromerige pop, en dat hield wel steek. De composities werden vrij eenvoudig gehouden, vaag met laagjes die stapsgewijs op elkaar gelegd werden, tot er zo een knap trippelende polyfonie ontstond die gedragen werd door de gestaag pulserende ritmesectie.

Door de uitwaaiende, echoënde klanken van de gitaren (vooral Benjamin Sauzereau is daar een expert in) en de countryachtige twang (bij Vitja Pauwels) kreeg de muziek hier en daar ook een soort Americana-draai die herinnerde aan projecten als Friends of Dean Martinez, of misschien zelfs Calexico in uitgebeende filmmuziekmodus. Elders kregen de hypnotiserende stukken soms een verrassende wending, neigde het ineens naar popbombast of kreeg het septet zelfs even iets van een uitbundige fanfare. Hier en daar leken overgangen misschien wat bruusk en sommige stukken mochten gerust wat langer uitgewerkt worden om hun effect maximaal uit te spelen, maar het was wel duidelijk dat Lasure & co. iets in handen hebben dat nog een bijzondere concertreeks kan opleveren. Kortom: JazzLab kan nog even verder.

Meer info over de geplande concertreeksen voor 2018-’19 is te vinden op de website.

E-mailadres Afdrukken
Tags: JazzLab