Banner

Johnny Marr

7 december 2018, Trix

Matthieu Van Steenkiste - foto's: Geert Vandepoele - 08 december 2018

Hij was de gitaarheld die The Smiths leven inblies, na dertig jaar staat hij eindelijk ook solo zijn mannetje. In Trix gaf Johnny Marr een begeesterd concert dat levendiger aanvoelde dan de integrale carrière van Morrissey. Zo goed? Ja, zó goed.

Die snoeverige snokjes met het hoofd! Johnny Marr heeft net als tweede nummer "Bigmouth Strikes Again" ingezet, en dat hij en niemand anders de bedenker van die onverslijtbare gitaarlijn is, mag geweten worden. Wat een contrast met de jaren 1987-2013, toen hij het liefst van al zo ver mogelijk van all things Smiths bleef, die legendarische Britse band die hem tot meest bezongen gitarist van zijn generatie maakte. “Johnny Fucking Marr” noemen zijn fans hem sindsdien, en dat omarmde hij ooit door het ook zo op een t-shirt te laten afdrukken.

Het heeft echter lang geduurd vooraleer de vijfenvijftigjarige die status echt heeft durven omarmen. Het einde van The Smiths was er geen in schoonheid, en jarenlang hield de gitaarheld zich liever in de schaduw onledig, als huurling van alle werken bij The The, The Pretenders, en ander schoon volk als Modest Mouse en The Cribs. Het zou tot diep in de jaren tweeduizend duren voor hij de molensteen van zijn geschiedenis wist af te schudden, en opnieuw onbeschaamd zichzelf kon zijn. Dat ging eerst voorzichtig met The Messenger uit 2013, nog beter met Playland een jaar later, en afgelopen zomer was Call The Comet helemaal een bevrijding.

Op die plaat, losjes gebouwd rond de gedachte dat een betere wereld kan bestaan, horen we eindelijk weer het soort kristalheldere gitaren waarmee hij zich begin jaren tachtig naar de indietop speelde. Voor het eerst durft Marr opnieuw zichzelf zijn, en dat hernieuwde plezier spat ook vanavond van de planken. Every inch een rock-'n-rollster geeft hij een optreden dat in de annalen van de concertzaal mag eindigen.

Marr mag dan van flink middelbare leeftijd zijn, hij staat er vitaler op dan ooit. Van bij opener "The Tracers" rinkelt de gitaar, klinkt alles kraakhelder en opwindend. De band rond hem speelt meer dan competent, het geluid is om door een ringetje te halen. En de songs staan er. "Jeopardy" is brute glamrock die de rechte lijn van Bowie over The Smiths naar Suede trekt, "Day In Day Out" is onweerstaanbare pop, "Spiral Cities" geeft ons nog altijd iets te veel de neiging "Someone! Somewhere! In summer time!" te brullen, zo ergens richting het refrein, maar alle Simple Mindsreferenties ten spijt blijft het opwindend materiaal.

Pure gitaarhelderij ook in "Hey Angel"; soleren, dirigeren, epateren. En dan valt op wat zo straf is aan Marrs recente solowerk. Het klinkt allemaal zo fris dat het net zo goed dertig jaar geleden had kunnen geschreven zijn. "Hi Hello"? Kon perfect op The Smiths uit 1983 staan, ergens na "This Charming Man". Dat laatste nummer speelt hij niet, overigens, al teaset hij even pesterig die geweldige riff. "Gek hé, dat ik dat niet doe, maar wel "Fly Like An Eagle" van Steve Miller kan?" Ja, bizar, maar we begrijpen het. Geef aan Mozz wat aan Mozz toekomt; zoiets.

Toch is er vrede met het verleden. Er was dus "Bigmouth Strikes Again", nog enkele Smithsnummers worden met grote zorg over de set gespreid. "The Headmasters Ritual" is puur snarendrijvershowmanship, "Last Night I Dreamt That Somebody Loved Me" verkillend goed. Niemand mist Morrissey hier, noch zijn rechts-conservatieve praat. Marr zingt goed, Marr heeft het hart op de juiste plaats. Of er Trumpsupporters in het publiek zijn? En dat dat oké is. "Hier is een liedje voor jullie: ‘Bug’"; dat soort flauwe humor. En we krijgen nog twee nummers van Electronic, die supergroep die hij begin jaren negentig vormde met Bernard Sumner van New Order.

Natuurlijk volgt "How Soon Is Now", de iconische Smithssong waarmee hij eigenhandig een paar fundamenten van shoegaze goot. Marr laat zijn zes snaren loeien, de drums knallen harder uit de boxen dan ze in de jaren tachtig mochten. Het is een machtig slotakkoord aan de set, maar in de bissen mag er nog een schepje bovenop. "There Is A Light That Never Goes Out" blijkt ook zonder wuft drama een niet kapot te krijgen nummer, het afsluitende "You Just Haven't Earned It Yet, Baby" is het finale antwoord op de onuitgesproken vraag naar die (on)verhoopte (schrappen wat niet past) reünie, maar vooral een zinderend uitgeleide, een uitroepteken achter drie woorden:

Johnny
Fucking
Marr.

E-mailadres Afdrukken