Banner

DOMINO 07

The Bony King Of Nowhere + Gruff Rhys + Daniel Johnston

16 april 2007, AB Box

Guy Peters - foto's: Isabel Allaert en Laura Wauters - 17 april 2007

Sinds het verschijnen van de gelauwerde documentaire The Devil And Daniel Johnston (2005) is de zesenveertigjarige artiest uit Texas uitgegroeid tot het gezicht van de outsider music. Het wekte dan ook geen verbazing dat de AB Box volgepropt zat met een publiek dat de manisch-depressieve Johnston op handen droeg als was hij de reïncarnatie van Christus.

Het gaat goed, maar vooral snel met The Bony King Of Nowhere. De volledig uit melancholie opgetrokken Bram Vanparys wordt opgevoerd op Vlaanderens mooiste concertpodia en is op een half jaar tijd niet alleen uitgegroeid tot een begrip in de Vlaamse muziekwereld maar werd ook al het slachtoffer van vlijtige namedropping. Onlangs stond hij nog in de AB Club (met Jason Molina), en nu liep de Box tijdens zijn optreden vol met volk dat net naar de Johnston-film was gaan kijken. Een paar maanden geleden hadden we eerder gemengde gevoelens bij zijn set in het voorprogramma van Califone, maar deze keer was het volledig raak. Hij werd bijgestaan door Cleo Janse (gitaar/piano), een meisjesachtige en stijf van de stress staande verschijning die erin slaagde de breekbare songs van Vanparys een extra dimensie te geven. De in reverb gedrenkte nummers deden ons opnieuw denken aan de kalme My Morning Jacket, maar meer nog dan dat hoorden we nu een lokale Damien Jurado aan het werk, een fluisterartiest die het publiek moeiteloos wist te bezweren met een goed half uur subtiele pracht.

Gruff Rhys, voorman van de Super Furry Animals, bracht onlangs z’n tweede solo-album Candylion uit, een werk dat vooral genegeerd werd. Op basis van zijn verrassende performance is dat alleszins zonde. Solo en bijgestaan door Lisa Jen bracht hij immers een set die krakkemikkige pop, pastorale folk, experiment en ongein aan elkaar koppelde en daarbij deed denken aan het werk van Julian Cope, Robyn Hitchcock en nu en dan zelfs Robert Wyatt. Sommige van de songs waren traditioneel ("The Court Of King Arthur"), andere speels (het in Welsh gezongen "Gyrru Gyrru Gyrru"), maar het waren vooral de op een tafel uitgestalde speeltjes die het verschil maakten. Door middel van loops bouwde Rhys songs op met instrumenten, speelgoed en drummers-in-pocketformaat Kevin en Colin, toestellen die doorgaans verbannen worden naar de wereld van kleuters en avant-garde-artiesten. Rhys speelde een grappige, intrigerende set die met "Cycle Of Violence" een overdonderende finale kende, letterlijk en figuurlijk.

Dat een figuur als Daniel Johnston tot idool gebombardeerd wordt, zowel door zijn ontwapend directe songs, die als snel het predikaat "kinderlijke puurheid" opgeplakt krijgen, als door zijn levensverloop (drugs, instortingen, psychiatrische klinieken) en de smeuïge verhalen over hem (hij dacht dat Metallica een door Satan gestuurd gezelschap was), is te begrijpen. Het zorgt er echter ook vaak voor dat begrippen als "geniaal" wat snel uit de kast worden gehaald en dat hem kwaliteiten worden toegedicht die moeilijk hard te maken zijn. Johnston is bovenal immers een grillig mens, wat in het verleden al zorgde voor ongelijke albums en optredens. Gisteren was de man echter in goeden doen, wat zorgde voor een hele reeks bijzondere momenten. Zo was het al aandoenlijk om hem z’n weg te zien zoeken door de eerste set met begeleidingsband Smutfish. Tandeloos, zich aan de micro vastklampend met twee handen, en bevend als een riet, leek Johnston de onbeholpenheid zelve.

Niets was minder waar. Toonvast was hij niet, en zijn halfgekermde zang flirtte soms met de grens van het pijnlijke, maar de meeste songs overtuigden moeiteloos. "Hey Joe" was ronduit ontroerend, "Worried Shoes" surreëel en "Speeding Motorcycle" (ooit uitgebracht met Yo La Tengo) nog steeds aanstekelijk jolig. Johnstons wereld is er een waar minieme triomfen en grote teleurstellingen hand in hand gaan. Ze gaan over liefde, verlies en angst, en worden onbeschaamd direct aan de man gebracht. Op hun best zijn ze pijnlijk effectief, confronterend en soms zelfs een slag in het gelaat van de pretentie. Zo werd "Living Life" (uit 1981) een weergaloos hoogtepunt: "I can’t help being restless / when everything is so tasteless / and all the colors seem to have faded away". Het tweede deel van de set was Johnston op gitaar en piano. Het was duidelijk dat velen hierop gewacht hadden, en terecht. Het was steeds een aardig karwei om te achterhalen welke songs hij uit z’n gitaar aan het rammen was, maar het was de zuiverste expressie denkbaar, en een herinnering aan het feit dat geen enkele artiest er tot nog toe in slaagde een Johnston-song te verbeteren. "Love Enchanted" op piano was het wrange mooiste hoogtepunt van de avond.

Zelfverklaarde Johnston-fans Das Pop begeleidden hem tenslotte tijdens een aantal songs uit Fear Yourself (2003). De drie speelden strakker en luider dan Smutfish, en net daardoor leek het ook alsof ze Johnston in een hoekje dreven. "Fish", "Love Not Dead" en een denderend "Rock & Roll/Ega" (met alle muzikanten) bleven moeiteloos overeind, maar terwijl het slordiger Smutfish meer ruimte liet voor de haperende timing van Johnson, leek het alsof Das Pop hem wilde leren rocken, met nefaste gevolgen voor de sfeer van het optreden. Het is hetzelfde verschil dat het met Mark Linkous opgenomen album minder boeiend maakte dan de rammelende oude platen. Het publiek werd wel nog mooie twee bisnummers gegund, "True Love Will Find You In The End" en "Devil Town", waarbij het vooral de simpele boodschap van dat eerste was die nazinderde: "True love is searching too / but how can it recognize you / unless you step into the light". En het is net dat wat Johnston met zijn optreden wist af te dwingen: een complexe wereld even leefbaarder maken met een "klein" gebaar.

MEER FOTO'S

E-mailadres Afdrukken
 
DOMINO 07 :: The Bony King Of Nowhere + Gruff Rhys + Daniel Johnston

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST