Banner

o'death

4 november 2007, Cactus@MaZ

Jurgen Boel - foto's: Anton Coene - 06 november 2007

Afhankelijk van waar u woont, zal u waarschijnlijk Limburg dan wel West-Vlaanderen als Vlaanderens eigenste variant van het Zuiden zien. Geen wonder dus dat de countryrockers van O’Death zich thuis voelden in Brugge die scone.

Het internationale debuut van O’Death leek hier ten lande wel over het hoofd gezien te zijn en dat is een kleine schande. Het spelplezier en de dronken waanzin spatten immers van elk nummer, wat de vraag deed rijzen of ze dit live ook zouden kunnen waarmaken, en zo ja, hoeveel erger zou het worden? Op het eerste deel van de vraag kon zondag volmondig met “ja” geantwoord worden, op het tweede deel gelukkig met een “dat viel goed mee alles in beschouwing genomen”.

Het ergste kon nochtans verwacht worden, want de groep had al laten weten dat de groepsleden het podium bij voorkeur lichtjes beschonken betreden. Bassist Newman en drummer Davd RB wachtten niet eens het eerste nummer af om de blote bast en bijhorende pens al te tonen en nog voor de set ten einde was, lag ook het doorweekte shirt van violist Bob Pycior op de grond. Zanger/gitarist Greg Jamie en banjo/ukelelespeler Gabe Darling hielden weliswaar hun hemdje respectievelijk T-shirt aan, maar verder werden ze even wild als de anderen.

Op Newman na zaten ze nochtans allemaal neer tijdens de eerste noten van het openingsnummer, maar nog voor de laatste tonen uitgestorven waren, was elk groepslid al minstens éénmaal rechtgestaan om bij voorkeur naast de microfoon luidkeels te schreeuwen. Doordat het debuut hier nooit uitgebracht is, greep de groep vooral terug naar de nummers van Head Home. In het bijzonder de luidruchtige en soms (schijnbaar) chaotische nummers nodigden uit tot een wild meeschreeuwen of klappen (gelukkig enkel van de groepsleden), met als klein en vreemd hoogtepunt een totaal van de pot gerukte versie van Pixies’ “Nimrod’s Son”.

De groep hield -- ondanks alle losgeslagen elementen -- enerzijds wel de teugels strak genoeg om het optreden niet in een bacchanaal te laten ontaarden, maar gunde anderzijds de wildebras in de songs ook genoeg ademruimte zodat de set nergens steriel of berekend overkwam; geen sinecure, de punkspirit van de plaat in gedachten houdend. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de groep op meer dan een goedkeurende knik van het publiek kon rekenen en zelfs voor een bisnummer teruggeroepen werd.

Live was O’Death dan ook zonder meer een belevenis. RB gooide zonder veel gêne de cimbalen die hij niet gebruikte op de grond en ranselde meer dan eens zijn drumstel af met een ketting. Zo er ooit een mens is die de rol van Muppetsdrummer Animal kan vertolken, dan is hij het wel. Banjospeler Darling vormde zijn halve tegenpool door haast autistisch “I am sorry” te blijven neuzelen in de microfoon telkens hij zijn banjo diende te stemmen.

O’Death paste perfect in het decor van Cactus: de beslotenheid van een aardig gevulde club gecombineerd met de groep wilde hillbillies uit de stad en de op hol geslagen songs die even stevig in de country als in de punk stonden, gaven aan het optreden het cachet van een verboden fuif in een verlaten hooischuur. Alleen de moonshine ontbrak nog om het feestje compleet te maken.

E-mailadres Afdrukken