Banner

Conor Oberst

3 september 2008, Botanique

Matthieu Van Steenkiste - foto's: Isabel Allaert - 05 september 2008

Conor Oberst blijft een grillig baasje: is hij net met zijn Bright Eyes geland bij een grote platenfirma, is zijn volgende move een soloplaat op een kleiner label. Met dat Conor Oberst onder de arm hield de panda-ogige woensdag halt in de Botanique, om gewoontegetrouw zijn wat flauwe livereputatie alle eer aan te doen.

Nu is Oberst altijd al een onrustig kereltje geweest dat naast zijn hoodfbezigheid met Bright Eyes altijd goeie songs in het rond bleef strooien. Toen bleek dat zijn vaste partner/producer Mike Mogis het te druk had met het producen van een andere band, kwam er dus een -- alweer sterke -- soloplaat uit. Omdat stilstaan geen optie is, en een mens in beweging moet blijven.

Geen toeval dus dat vanavond afgetrapt wordt met “Moab“ en de mededeling “There’s nothing that the road cannot heal”. Voor Oberst is de vlucht vooruit de beste manier om te overleven. “Als ik stop met trappen, valt de fiets om”; die redenering. Conor Oberst is één langgerekte ode aan het onderweg zijn, maar vandaag rekt Oberst zijn ode iets te lang.

Al begint het sterk met het breedbeeldpathos van dat “Moab” en de country & western twang van “Sausalito”. “Get Well Cards” is al meteen het vroege, erg naar The Band geurende hoogtepunt van de set. Dit is Oberst in topvorm: als hij gedreven en bezield is, krijgt hij iedereen meteen mee. Moeilijker wordt het met “Eagle On A Pole” en “Central City”: rustige nummers die niet echt weten te beroeren en lichtjes zeurderig aandoen.

Maar Oberst -- vandaag ziet hij er uit als een kruising tussen Koen Buyse en de pruilerige Bernard Black uit Black Books -- herpakt zich mooi met het stapvoetse “Cape Canaveral” dat zich wentelt in mystiek. Daarna is het vet wat van de soep. “Danny Callahan” passeert zonder veel impact te maken als de doordeweekse countryrocker die het is. Wanneer Oberst plots de microfoon doorgeeft aan gitarist Nik Freitas loopt het fout. Er mag op de merchandisestand dan een plaat van hem te koop liggen, erg toonvast zingt de man immers niet en ook het nummer zelf maakt allesbehalve indruk. Maar het kan nog erger, zo blijkt wanneer ook drummer Jason Boesel een song mag zingen. En zo gaat een optreden dat goed begon, verder aan het slabakken met “NYC - Gone Gone”; nog steeds een ordinaire schuurfeeststamper die enkel een geërgerd “Yeehaw!” kan uitlokken.

Opnieuw even redding met de ingetogen setsluiter “Milk Thistle”, al lijkt die vanavond net iets te veel eeuwen aan te slepen, maar wie zijn heil in de bissen zoekt, mag het ook vergeten: Oberst geeft ruim baan aan zijn netjes naast de toon scherende bandleden -- onder andere voor een cover van “Everybody’s Talking” -- en daagt pas na twee nummers opnieuw op voor een flauwe barbluesversie van Dylans “Corrina, Corrina”. Waarna het met een heerlijk uptempo “I Don’t Want To Die (In The Hospital)” en een chaotisch “Breezy” richting lichten-aan gaat.

Natuurlijk moest Oberst geen Bright Eyesnummers spelen -- de rol van ontgoochelde fan gaat ons niet goed af -- maar dan had hij er beter aan gedaan een compacte set te brengen met enkel het materiaal uit die nieuwe plaat. Door zijn band vrij spel te geven met duidelijk minderwaardig materiaal, haalde hij nu de vaart uit zijn set en bewees hij eens te meer dat zijn halfslachtige livereputatie niet onverdiend is; net als zijn vorige passage in de Botanique en de daaropvolgende op Dour (in 2005; in 2007 zagen we hem op het zelfde festival toch eens sterk uit de hoek komen) rook dit bij momenten naar een weinig frisse onverschilligheid. En dàt is een erg onwelriekend geurtje.

E-mailadres Afdrukken
 
Conor Oberst

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST