Banner

Oxbow + Vandal X

13 november 2009, 4AD

Guy Peters - foto's: Evy Ottermans - 14 november 2009

Fucking Oxbow. Dat is het enige dat ons vlak na het optreden van het Amerikaanse kwartet ontglipt. Telkens opnieuw zorgt de band voor een ervaring die het gegeven van een rock-‘n-rollperformance op losse schroeven zet. Geen enkele andere band pakt uit met zo’n formidabele combinatie van intimidatie, gewelddadigheid, theatraliteit en mismaakte schoonheid.

Maar eerst Vandal X, Limburgse ammoniakpissers par excellence. Ze houden van niks (tenzij lawaai), ze haten alles (inclusief elkaar) en ’t is al fuck dit en fuck dat wat de klok slaat, maar ze weten gelukkig wel het eenzijdige hardcorediscours te ondersteunen met een muur van gewapend beton en bijtend cynisme. Sinds Little Man’s Blues (1997) staat het duo garant voor agressieve, haatdragende muziek in de Unsane- en Big Black/Shellac-traditie. Geen metal, geen hardcore, maar een amalgaam dat er in de loop der jaren steeds extremer op werd, met All Lined Up Against The Wall (2008) als voorlopig culminatiepunt.

Intussen geen jonkies meer, al is van verminderd energieniveau nog geen sprake. De hele set staat het duo er als een granieten blok, hamerend, hakkend en brullend, overstag gaand in ziedende passages en de occasionele rustige wendingen. En gelukkig waren die laatste ingebouwd, want een resem midtempo schreeuwers na elkaar gaat soms wat vervelen en door nog meer afwisseling in te bouwen en te experimenteren met ingehouden zang, slaagt de band erin om zijn explosieve passages meer kracht te geven.

Oxbow mag zich met een vierde bezoek aan de 4AD stilaan een huisband gaan noemen. Het is dan ook een feit dat je deze band niet zomaar ondergaat: ofwel is het je allemaal te bevreemdend en keer je ze de rug toe, ofwel toon je engagement en ga je mee in hun verhaal. En dan zit het er dik in dat je er levenslang aan verslingerd bent. Oxbow speelt excentrieke, claustrofobische rock die frequent de grenzen met het experiment opzoekt en de luisteraar confronteert. En natuurlijk kan je in een beschouwing over Oxbow niet voorbij de imponerende figuur van Eugene S. Robinson.

Robinson, een zwaar getatoeëerde en gespierde maniak, is een van de meest opmerkelijke frontlui die de rock-‘n-roll rijk is. Als journalist, voormalig competitievechter (en we hebben het niet over judo, maar brute full contact-sport) en schrijver (hij publiceerde onlangs zijn eerste roman A Long Slow Screw) is hij een zeldzame combinatie van primaire/fysieke en intellectuele kracht en een beest dat constant speelt met de grenzen van provocatie en intimidatie. Halfnaakt op het podium, met katachtige bewegingen, ogen die wegvluchten achter oogleden en frequent uitbarstend in intense spasmen, is hij een verschroeiende verschijning, niet gestuurd door het hautaine haantjesgedrag van de hardcore maar door het gevecht met vermaak, verschijning en verwachtingen.

{image}

Oxbows muziek leent zich dan ook om volledig over de rooie te gaan. De hoekige rock van het kwartet doet nu en dan denken aan bands als The Birthday Party, Scratch Acid en The Jesus Lizard, maar net zo vaak heb je het gevoel te kijken naar een heavier Pere Ubu of the Swans, als ze opgegroeid waren met Chicago blues. Het is bombastische, schizofrene voodoorock, sinister en sensueel. De opvallende verschijning van Robinson (met snor net het evil broertje van Eddie Murphy) trekt veel van de aandacht, maar kan niet verhullen dat de man geruggensteund wordt door drie uitstekende muzikanten die na twee decennia samenwerking kunnen spelen op instinct, de grenzen van de jazz aftastend, kleurend met geluiden, spelend met vorm en volume.

Het is net die dynamiek, die theatrale spanning die opgebouwd wordt, die Oxbow zo’n kracht verleent. Als gerekte psychotherapeutische schreeuwsessie zou het immers nooit deze impact hebben. De vier doseren meesterlijk en terwijl de muzikanten op en af schipperen tussen artblues en pseudokamermuziek zet Robinson het op een huilen en janken, kreunen en steunen, grijpend naar z’n kruis, kruipend naar de rand van het podium, zoekend naar contact, de barrière tussen artiest en publiek overschrijdend met psychoseksueel geladen declamaties en confronterende lichamelijkheid. Een zwetende, zwarte, in zichzelf raaskallende zot voor je neus is doorgaans niet wat je verwacht op een rockconcert.

De twee akoestische songs die voor het podium gespeeld werden waren een aparte opener, met een rondwandelende Robinson die, nog volledig gekleed in regenjas en muts, z’n lijnen declameerde. Op het podium was het een uur postbluesrock, met een gulle greep uit The Narcotic Story (o.a. het drieluik “The Geometry Of Business”, “Time, Gentlemen Time” en “Down A Stair Backward”, band classic “Stallkicker” en materiaal van de zopas verschenen lp Songs For The French, waarop de band voortborduurt op The Narcotic Story en tegelijkertijd de kaart van de improvisatie trekt.

Of je Oxbow weet te appreciëren, hangt af van wat je bereid bent te verwerken. Voor sommigen is Oxbow aan het werk zien naar verluidt een ervaring die aanvoelt als verkracht worden, een aanvaring met dingen waar je eigenlijk geen uitstaans mee wil hebben. Wij vonden het dan weer een onvergetelijke confrontatie, een op de netvliezen gebrande totaalervaring waarbij gevaar en verbazing hand in hand blijven gaan. Of angst en fascinatie. Verbijstering ook. En opwinding. Of hoe Oxbow de wetten van de rock herschrijft in een codex van gecontroleerde waanzin, geladen paranoia en een blik die meer vertelt dan duizend woorden. Fucking Oxbow.

E-mailadres Afdrukken
 
Oxbow + Vandal X

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST