Banner

Jazz Middelheim

12 augustus 2010, Park Den Brandt

Guy Peters - foto's: Jos L. Knaepen - 13 augustus 2010

Hoewel we doorgaans weinig uitstaans hebben met de Stad der Steden zakken we toch graag af naar Park Den Brandt (samen met de weide van Rock Herk zowat de meest knusse festivallocatie van Vlaanderen) voor Jazz Middelheim, dat in tegenstelling tot Gent Jazz resoluut voor de jazz wil gaan. Dag 1 ging veelbelovend van start, maar zou uiteindelijk vooral ter plaatse blijven trappelen.

Jef Neve en José James kregen al een aardig applaus voor hun concert begonnen was. Vlaanderen houdt overduidelijk van Neve en de vorige gesmaakte passages zullen er ook wel voor iets tussen zitten. De twee brachten onlangs het onder lofuitingen bedolven For All We Know uit op het befaamde Impulse!-label, maar omdat dit de Coltrane-dag was, lag de nadruk niet op dat nieuwe album, maar op hun ‘Facing East’-programma, dat hen vorig jaar ook naar de AB voerde. De set was nu iets gebalder dan toen, al blijft het een verademing om een band een uur en een kwartier te zien spelen. Niet de totaalervaring van een zaalconcert, maar toch meer dan een korte showcase om poen op te strijken.

Het concert begon en evolueerde zoals dat in de AB: eerst met “Om”-loops van James, die duidelijk het spirituele aspect wilde benadrukken en daarbij gesteund werd door een uitstekende band --met de sterkste ritmesectie van de dag!-- die met overtuiging in het werk van Coltrane dook. Het was allemaal wat minder compromisloos en aangepast aan de smaak van gevoeliger jazzfans, maar nergens kon je James ervan verdenken een charlatan te zijn. Zonder de songs te willen bedekken onder al te zware arrangementen is het toch duidelijk dat hij het materiaal erg respectvol en sereen wil behandelen. Idem voor saxofonist/fluitist Michael Campagna, die opnieuw enkele indrukwekkende Coltrane-impressies gaf op tenor- én sopraansax. Je moet het maar durven.

Het meest van al waren we deze keer echter onder de indruk van Neve, die zich minder leek te vergrijpen aan maniëristische uitspattingen. Expressief en uitermate gedreven, dat wel, want soms wipte hij zo hard van z’n stoel dat het leek alsof hij Jerry Lee Lewis-gewijs op die piano wilde springen, maar ook gedoseerd waar nodig. Mochten zeker niet ontbreken op het appel: een uitgebeend “Lush Life” (de Strayhornklassieker die Coltrane o.m. opname met zanger Johnny Hartman) en het onvermijdelijke “My Favourite Things”; op papier een triviaal nummer uit een zondagmiddagfilm, maar ook een song die Coltrane tot het einde van zijn leven gebruikte om monsterlijke improvisaties uit te voeren. Ook hier werd creatief omgesprongen met het nummer, al ging het er vooral luchtig aan toe.

Hoewel de set bondiger was dan het (iets té) lange concert in de AB, moest het natuurlijk wel de sfeer van toen missen, en het leek dan ook wat vreemd om dit in de vooravond te horen. Gelukkig bracht de set aardig wat variatie en sloop er nu en dan een modern soul/funk-element in de muziek, waarbij de vijf hun appreciatie voor elkaars spel duidelijk lieten merken. James gaf mee dat het zijn eerbetoon was aan John en Alice Coltrane, en vooral die tweede naam won nu aan betekenis, omdat het ook aanvoelde alsof James keek naar het oeuvre van de gigant via het werk en de stijl van diens weduwe. Wat er ook van was, het was een prima opener van Middelheim 2010. Wisten wij veel dat we meteen ook het hoogtepunt van de dag achter de kiezen hadden.

Het moet moeilijk geweest zijn voor een jonge saxofonist in de jaren zestig, met het gewicht van de Coltrane-nalatenschap op de schouders. Sommigen sloten aan bij de meester en zetten z’n werk voort (Pharoah Sanders), anderen vonden gaandeweg hun eigen sound en stijl (Wayne Shorter) of gaven hun carrière een geheel andere dimensie. Zo wist Archie Shepp al snel een symbiose te vinden van activisme en muziek, met gedreven concerten die even opruiend als revolutionair wilden zijn. Dat was echter niet de Shepp die wij te zien kregen, want die teerde vooral op klassieke bluesstructuren en ander traditionalisme.

Hoewel hij energieker speelde dan enkele jaren geleden in Gent, liet hij de sax (tenor/sopraan) regelmatig links liggen om te zingen. En dat is geen goed idee, want Shepp kan bezwaarlijk een begenadigd zanger genoemd worden en kan het niet laten om vervaarlijk dicht bij de zelfparodie en het clowneske te komen. Die humoristische inslag werd gesmaakt door een groot deel van het publiek, maar kreeg naarmate de set vorderde een weeë bijsmaak. Samen met Roswell Rudd (die er ook al bij was op Four For Trane uit 1964!) waagde Shepp zich aan Ellington en een resem andere songs uit het swingtijdperk, waarbij het soms leek alsof je naar een Benny Carter-concert aan het luisteren was.

Allemaal goed en wel, maar het gewauwel over een “revolution” stond haaks op het gejodel over een “funky mama”, en dat terwijl de ritmesectie weinig moeite deed om inventief aan de slag te gaan, Rudd met z’n rauw geschetter de boel niet kon redden en percussionist Leon Parker het geheel soms een pseudo-exotisch sfeertje gaf dat eerder irriteerde dan intrigeerde. Er zaten enkele degelijke momenten verscholen in de set (zoals toen Shepp vanachter de piano duetteerde met Roswell), maar eigenlijk was dit vooral een onsamenhangende en weinig geïnspireerde set die krampachtig teruggreep naar Shepps roots en moeilijk te verenigen viel met zijn imago als boegbeeld van the New Thing.

Het laatste concert was voor pianist McCoy Tyner (foto), opnieuw een jonge zeventiger, die als snotneus mocht aantreden in het Coltranekwartet van de vroege jaren zestig, vermoedelijk het meest legendarische combo uit de jazzgeschiedenis. Werken in de schaduw van de meester heeft onvermijdelijk z’n nadelen: zo was Coltrane’s overdonderende stijl en gewicht zo dominant dat het een pianist ongetwijfeld confronteerde met een aantal beperkingen, maar het zorgt er ook voor dat je als muzikant al eens over het hoofd gezien wordt.

De extatische jazz van begin jaren zestig moesten we dus niet verwachten (Tyner was immers ook eerste om het schip te verlaten toen Coltrane steeds radicaler werd) en die kregen we ook niet. Het hielp alleszins ook niet dat het concert van start ging met een ontstellend zwakke geluidsmix, waarbij bas en piano zo goed als onhoorbaar waren, de simbalen van drummer Eric Gravath enorm uitversterkt waren en de tenorsax van gast Joe Lovano een lelijke metalige bijklank kreeg. Het beterde allemaal naargelang de set vorderde, al zou het een struikelblok blijven dat enkel minder opviel tijdens de solomomenten. Die waren er regelmatig, van alle betrokkenen, maar ook hier vielen er weinig hoogtepunten te rapen. De ritmesectie speelde vrij anoniem (hier geen spannende interactie zoals bij de openers) en Tyner speelde een beetje zoutloos.

Z’n spel was verrassend ingetogen en genuanceerd, dat wel, al vroeg je je constant af of het gebrek aan sprankeling te maken had met ‘s mans stijl of het zwakke geluid. Dit was geen muziek die ergerde, wat soms wel het geval was bij het concert van Shepp & Co., maar ook zelden wist te beklijven. Gedachten dwaalden af en soms passeerden volle minuten in een waas. Lovano, toch een van de meest gerespecteerde saxofonisten van zijn generatie, probeerde wat vuur in de vlakke set te brengen, maar het mocht niet baten. De sfinxfiguur Tyner, die met z’n petje wel heel erg veel leek op wijlen Ibrahim Ferrer, speelde aardige, serene muziek die nooit bij de lurven greep zoals die van zijn voormalige compagnon en broodheer.

Kortom: de jonkies bevestigden en de veteranen konden de hoge verwachtingen niet inlossen. Je mag natuurlijk niet verwachten dat muzikanten die geboren zijn in het vooroorlogse tijdperk nu nog altijd de gedrevenheid en rebellie aan de dag kunnen leggen waar ze ooit faam mee maakten, net zoals je ze moeilijk kan verwijten om terug te grijpen naar modellen en invloeden die onlosmakelijk deel uitmaken van de (vroege) jazzgeschiedenis, maar ergens hoop je dan toch dat het live vuurwerk oplevert, of op z’n minst weerhaakjes, plaagstootjes of slinkse momenten waarbij de oude vos z’n streken even toont. Die momenten waren nu veel te weinig. Benieuwd of Ahmad Jamal (80) en Wayne Shorter (76) daar wel in slagen op Dag 2.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST