Banner

Eric Boeren ''Boerenbond'' feat. Peter Evans

25 september 2010, De Singer (Rijkevorsel)

Guy Peters - 27 september 2010

De kliek muziekfanaten van ‘A Jazz Experience’ vierde zijn tiende verjaardag in De Singer met een dubbelconcert. Viel vrijdag de Belgische topper Bert Joris Quartet te horen, dan werden de muzikanten gisteren gezocht en gevonden in het buitenland. Twee Nederlandse en twee Amerikaanse figuren uit de avant-garde gingen een ongewoon verbond aan dat leidde tot een boeiend en verrassend concert.

Leider Eric Boeren, die net over de Belgisch-Nederlandse grens opgroeide, doelde met de naam van zijn project (‘Boerenbond’) effectief ook op de Vlaamse inhoud ervan, een coöperatief waar je voor allerlei spullen terecht kan, iets dat hij met die kwartet ook wilde zijn. Boeren is niet meteen de bekendste muzikant van de Nederlandse scene, maar als kornettist maakt hij al jaren deel uit van het gelauwerde Available Jelly (met o.m. Michael Moore) en was hij te horen aan de zijde van zowat elke in Nederland spelende muzikant, inclusief Tobias Delius, kernlid van het ICP Orchestra en onlangs nog sterk bezig met zijn eigen 4Tet (zoals te horen op het uitstekende Luftlucht).

Naast de twee ervaren rotten waren er ook twee jongere kerels uit de Verenigde Staten, vertegenwoordigers uit wat misschien wel de bloeiendste jazzsteden van het moment zijn. Adasiewicz is een vibrafonist uit Chicago die zich op korte tijd al enkele keren in de kijker wist te spelen (daar zal het feit dat hij een onalledaags instrument speelt natuurlijk ook wel voor iets tussen zitten), met een sterke soloplaat (Rolldown), aan de zijde van o.a. Rob Mazurek en bij Mike Reed’s Loose Assembly. Evans is dan weer het New Yorkse wonderkind van de trompet, actief met de hyperbop van Mostly Other People Do The Killing, alsook de vrije improvisatie, waar hij intussen gezien wordt als een van de vaste waarden voor de toekomst.

Zo’n gelegenheidsband is vaak een inderhaast opgetrommeld zootje dat zich te buiten gaat aan radicaal vrije improvisatie van het we-zien-wel-waar-we-eindigen-soort, iets dat even opwindende als duffe en richtingloze resultaten kan opleveren. Boeren had echter zijn huiswerk gemaakt, door twee soorten composities, die gehanteerd werden als toetsstenen, te gebruiken. De absurde uitleg over die Smirna’s en Rostocks kon, zo werd snel duidelijk, best vergeten worden, al was het duidelijk dat het ene teerde op fanfareachtige stukjes en solomomenten en het andere op duoconfrontaties.

Aanvankelijk was het nog wat zoeken, al kreeg je wel vanaf de eerste minuut te horen dat dit geen alledaags optreden zou worden. Boeren en Evans teerden constant op elkaars spel, gingen in dialoog of dubbelden melodieën, terwijl Delius (op tenor en klarinet) het overnam of het boeltje aandikte. En Adasiewicz, verstopt achter z’n hoedje, die leek de helft van de tijd een vrijgeleide verdiend te hebben en mocht zich te buiten gaan aan verbazend expressieve solo’s, bedwelmend en vol lepe humor. Het leidde tot muziek die golfde tussen vrij klassieke momenten (‘mooie’ muziek) en abstract gepruttel, tussen ernst en humor, tussen lichtvoetigheid en complexiteit.

Boeren, zelf een voorstander van een collectieve aanpak die vooral belang hecht aan interactie (in tegenstelling tot puur technische virtuositeit), klonk een stuk ongepolijster dan zijn Amerikaanse collega in de traditionelere stukken, maar als het er op aan kwam om de kunstjes boven te halen, dan werd wel snel duidelijk dat vooral Evans’ mogelijkheden zowat onbegrensd zijn. Toen de man zich even liet gaan op z’n pockettrompet leek de tijd even stil te staan: zijn snelheid, wendbaarheid, expressief vermogen en instrumentbeheersing zijn ronduit verbluffend en je kreeg dan het gevoel te kijken naar een muzikant die nog lang niet al z’n reserves aangesproken heeft.

Het was pas in de tweede set dat het kwartet, misschien ook door het consumeren van een plaatselijk gebrouwd bier, al z’n troeven op tafel gooide, want dan pas leek het onwennige helemaal verdwenen en werd uitgepakt met baldadiger hoogstandjes. Zo was er een stuk dat eindigde in iets dat van een marching band uit het New Orleans van de jaren twintig had kunnen zijn, en was het laatste stuk gebaseerd op een dalend motiefje dat een kwartier lang bleef boeien in talloze variaties. Indrukwekkend.

Het werd dan ook meteen duidelijk dat dosering misschien wel het kernbegrip van de avond was: er werd gegoocheld met stijlen en technieken, maar het werd nergens blasé, volgestouwd of aanstellerig. Integendeel, Boerens relativerende humor straalde af op het hele kwartet, dat met zijn opmerkelijke passage een mooi verjaardagsgeschenk bezorgde aan de jazzliefhebbers van Rijkevorsel, die duidelijk een goede keuze hadden gemaakt door de kaart van het avontuur te trekken.

E-mailadres Afdrukken