Banner

Jazz & Beyond Deluxe

18 februari 2011, Vooruit

Guy Peters - foto's: Claudio Casanova / AAJ Italia - 19 februari 2011

Met Zach Miskin, Hauschka en Paolo Angeli op het programma was de kans groot dat er heel wat verrassingen te rapen zouden vallen op dag twee. Dat gebeurde hier en daar ook, maar bij de eerste twee bleef de muziek ook regelmatig dobberen in al te vertrouwd vaarwater, waardoor de impact minder was. Gelukkig kon Angeli dat nog rechttrekken met een performance die je op z’n minst bijzonder kan noemen.

De cellist Zach Miskin is nog jong, maar kon voor zijn debuutplaat al rekenen op medewerking van volk van The National, The Books en Clogs. Niet verwonderlijk, omdat z’n muziek een vrij hapklare brok is tussen neoklassiek experiment, filmmuziek en popvrijages. Veelal wordt daarbij geteerd op repetitieve patronen (“Crosscheck”), nu en dan uitgepakt met een vocale sample en het bekende spel met loops. Om die gelaagdheid van zijn album ook live te kunnen waarmaken, werd Miskin begeleid door een gitarist en een laptopartieste, die zorgde voor een subtiele percussieve toevoeging en die de gespeelde partijen terugkaatste. Dat gebeurde vakkundig, maar niet op een manier die we niet al vaak eerder zagen.

Op z’n donkerst had de set van Miskin en compagnie iets van een Clint Mansell Light en ook op andere momenten was het niet zo moeilijk om filmbeelden te bedenken bij de muziek. Voor de laatste twee stukken, “Wasn’t That Lucky” en “I Fell Off A Cliff”, werd het trio vergezeld van zangeres Alice Lewis. Die combinatie voelde eerst wat onwennig aan, maar hield al snel steek, waardoor het haast leek alsof Miskin het meest indruk kon maken naarmate hij dichter bij de poptraditie aanleunde.

Dan Hauschka (foto 1), de John Cage van Düsseldorf. Sinds jaar en dag vermaard omwille van z’n prepared piano, waarmee hij doorgaans ingetogen muziek maak die het terrein tussen lichte neoklassiek en minimalisme ontgint. Door die ‘preparaties’ (plakband, stokjes, lepels en, zoals later zou blijken, een halve reiskoffer andere rommel) krijg je soms onverwachte geluiden te horen die het geheel steevast een onbehouwen knutselcharme geven. Voor dit concert, waarmee de man zijn recentste album Foreign Landscapes wilde promoten, had hij bovendien gerepeteerd met studenten uit het lokale conservatorium: een strijkkwintet met twee cellisten, twee violisten en een altvioliste. Die waren van meet af aan mee op het podium te zien, al zouden ze slechts bij goed de helft van de stukken meespelen.

Hauschka’s muziek is vaak vrij eenvoudig van opzet, opgebouwd rond soms luchtige thema’s en uitweidingen, voorzien van repetitieve patronen en, mede door die modificaties, met een hoogst percussieve aanpak. Wat er van de klank van zo’n behandelde pianosnaar overblijft is vaak niet meer dan een dof getokkel. Nu en dan is die afwisselend gedempte en krachtige aanpak wel een aanwinst, zeker omdat z’n composities nogal eens durven verglijden in monochromatische saaiheid. De strijkers mochten soms het voortouw nemen, zoals in “Madeira”, dat al snel een dromerige herhaling opleverde, of “The Children”, waarbij ze even forse uithalen mochten bovenhalen. En dat was ook maar goed, want de stukken met de strijkers onderstreepten de zwaktes van Hauschka’s muziek meer dan zijn solostukken.

Dat had ongetwijfeld te maken met de beperkte repetitietijd, maar eens je voorbij die weelderige klank kon kijken, viel op dat de partijen vast niet zo’n uitdaging waren voor muzikanten die dag in dag uit bezig zijn met muziek op het hoogste niveau. Hauschka blijft zich vermeien in dezelfde formule, waar zijn speelpartners soms wat het slachtoffer van werden. Dan liever het solostuk halverwege de set dat mooi speelde met tempowisselingen en denderende groove. Ook best geinig: het gebruik van stuiterende stukken metaal, het leeghalen van de piano en die opnieuw opvullen met pingpongballen, wat natuurlijk een ballenfontein opleverde. Begrijp ons niet verkeerd: het was geen slecht concert en het was soms erg mooi weemoedig zonder te vervallen in vermoeiende zwaarmoedigheid, maar het was soms het soort oppervlakkige schoonheid waarvan weinig bijblijft zodra de laatste uitdeinende klanken uitgestorven zijn.

Paolo Angeli (foto 2) deed het dan weer met een Sardijnse prepared guitar. Daarbij gaat het niet om tijdelijk aangebrachte prullaria, maar om een instrument dat grondige en permanente wijzigingen onderging. Het is het soort instrument dat je eens zou willen bepotelen, want de mogelijkheden die het verschaft lijken haast legio. Met snaren in de lengte en de breedte, verbindingen zodat het tegelijkertijd met de voeten bespeeld kan worden en elementen die aangebracht lijken voor percussieve doeleinden, is het al een mirakel van technisch vernuft. Dan blijkt dat in de klankkast ook nog eens ventieltjes zitten die een ratelend effect voortbrengen als ze in werking gesteld worden en in aanraking komen met de snaren. Doe daar nog eens de talloze vervormingen, strijkstokken en pedalen bovenop, en je zit met een gitaarcello from outer space.

Angeli deed hetzelfde als tijdens de performance die terecht kwam op zijn recentste album, Tibi. Dat album werd opgenomen tijdens het begeleiden van een film over het maken van zo’n Sardijnse gitaren. Ook nu kregen we die soms wonderbaarlijke film te zien, die slepende zwart/wit-fotomontage vol raadselachtige close-ups en andere foto’s die tijdens het hele productieproces genomen werden door Angeli’s broer. Die extreme close-ups, waarbij je je herhaaldelijk aan het afvragen was naar welk onderdeel van de gitaar je aan het kijken was, hadden eigenlijk ook een sterke verwantschap met de muziek, die al even fluïde was en geobsedeerd door details. Hier en daar zaten er zeker flarden in van Fred Frith (een voorbeeld) en Tom Cora, op andere momenten, als de distortion aangesproken werd, had het iets van Sonny Sharrock of werd verwezen naar Björk. Op z’n meest bizar leek het op een nevenproject van Einstürzende Neubauten.

Het was taaie performance en halverwege de set was het erg moeilijk om bij de les te blijven, maar wie aanhield werd daarvoor beloond. Gaandeweg kreeg Angeli’s muziek immers meer vorm, vond de traditie een nadrukkelijker plaats en zo werd er uiteindelijk plaats gemaakt voor een prachtig stukje nostalgie waarbij de man aan het zingen sloeg bovenop volkse melodieën. Heel even had het iets van een stokoude Italiaanse grammofoonplaat (of wat we ons daarbij voorstellen) met lichte klassiek uit een uithoek van Italië. De mogelijkheden die Angeli ter beschikking had, waren verbluffend: het ene moment klonk het donker en dreigend, het andere weer speels en luchtig aftastend (zelfs met z’n blote voeten in winkelzakjes voor een ritselend effect). De meningen zullen ongetwijfeld verdeeld geweest zijn. We waren niet heel de tijd mee, maar wel enorm gefascineerd door die unieke wereld en integriteit. Op z’n best klonk het als iets dat we nooit eerder gehoord hadden en vermoedelijk ook nooit meer zullen horen.

E-mailadres Afdrukken