Banner

Jonathan Jeremiah + James Walsh

7 juli 2011, Rivierenhof

Toon Heylen - 08 juli 2011

Het succes van de single “Happiness” promoveerde Jonathan Jeremiah al op voorhand van een voorprogramma tot de evenknie van de hoofdact, Starsailor-frontman James Walsh. Dat het Openluchttheater bij het eerste nummer van Jeremiah meer toeschouwers telde dan bij de bisnummers van Walsh bewees dat die line-up gerust andersom had gemogen. Walsh overtrof ondanks een Best Of Starsailor op geen enkel moment de impact van zijn voorganger.

Okee, dat Jonathan Jeremiah vanaf de eerste noot het publiek muisstil aan het glimlachen kreeg, had ook te maken met de opener: meteen die hit “Happiness”, een nummer dat wellicht nergens beter past dan in een zomers amfitheater. Zij die alleen voor James Walsh waren gekomen, fluisterden simultaan “Ah, dat is díe!” in het oor van hun buur, en genoten mee.

Je kunt er in principe niet veel op tegen hebben, natuurlijk. Een zomeravond in het groene Rivierenhof met genoeg volk om het gezellig te maken, toch niet te veel drukte zodat iedereen een perfect plekje had en een rustige singer-songwriter op het podium. Met enkel twee krukjes en twee microfoons op het podium -- Jeremiah werd geflankeerd door een tweede stem met een tweede gitaar -- was de bezetting nagenoeg minimaal. En wat dan met de strijkers, die op Jeremiah’s debuutplaat alle gaatjes met wat extra fluweel opvullen? Die werden hier en daar gemist, in nummers als “How Half-Heartedly We Behave” en “See (It Doesn’t Bother Me)", maar wat we wél hoorden, was een singer-songwriter die aan zijn warme soulstem en simpele gitaarakkoorden genoeg heeft om een publiek een uur lang te boeien. Voor de uitgeklede songs zat iedereen op het puntje van zijn kussentje; ze hadden enkel het geluid van de eenden in het Rivierenhof als concurrentie.

Dat was wel anders bij James Walsh, voor wiens optreden de volumeknop meteen een draai naar rechts kreeg. De opstelling was even bescheiden -- Walsh in zijn eentje, met een gitaar en een piano -- maar de subtiliteit die je daarbij verwacht, was er niet. De scherpe stem van Walsh is er een waar je voor of tegen bent; een akoestisch concert mag je dan ook een risico noemen. Bij die stem past een wanhopige smeekbede, meer dan een ingetogen liefdesverklaring. De keuze voor een akoestische set bleek niet de juiste, want een intieme sfeer creëren kreeg Walsh nauwelijks voor elkaar.

Aanvankelijk werkte de melodieuze pop van Starsailor prima, met hits als “Tell Me It’s Not Over” en “Lullaby”. Maar zodra de gevoelige snaren moesten worden bespeeld, bij “Alcoholic” bijvoorbeeld, zocht Walsh naar een plek tussen Starsailor en het intieme solowerk in, en die vond hij niet. Alles klonk te bruut om te beroeren, en te kaal om je echt mee te krijgen. Waarom hij dan zo graag solo speelt, vertelde Walsh zelf: om ter plekke te improviseren en zijn eigen zin te doen. Met covers van Van Morrison (“Wild Night”) en Paul Simon (“Peace Like A River”) toonde hij zo zijn liefde voor de klassieke singer-songwriters. Een echt hoogtepunt was de ingetogen Springsteen-cover “Hungry Heart”, die door Walsh tot een pakkende ballad werd herleid.

Met de hulp van een elektronische drumkit kreeg Walsh alsnog beweging in het Openluchttheater -- bij publiekslieveling “Four To The Flour”, uiteraard. Die swing borg hij meteen weer op voor een fragiele versie van “Silence Is Easy”, een van de weinige momenten waarbij het unplugged-gevoel echt tot zijn recht kwam. Zo bleef de set voortdurend schakelen tussen de eerste en de tweede versnelling, zonder echt voor een van beide te kiezen, maar ook zonder een goed evenwicht te vinden.

Het laatste woord van de avond was alsnog voor de opening act: Jonathan Jeremiah -- wat zingt die man zijn hit nog steeds graag -- haalde na afloop in de bar zijn gitaar opnieuw boven en zette zonder versterking nog een keer “Happiness” in, zodat iedereen toch met de glimlach huiswaarts ging.

E-mailadres Afdrukken