Banner

Jazz Middelheim

13 augustus 2011, Park den Brandt

Guy Peters - foto's: (gp) / Archief Geert Vandepoele - 14 augustus 2011

Twaalf jaar nadat Zorn met Masada de tent van Middelheim voor het eerst tot extase bracht is zijn status binnen de wereld van de jazz enkel nog gegroeid. Wordt tweederde van z’n werk over het hoofd gezien, dan blijft Masada een wachtwoord dat alle deuren opent. Anno 2011 krijgt hij een volledige dag ter beschikking om in te vullen met een resem muzikanten uit zijn entourage, waaronder een paar van z’n trouwste medewerkers. Er werd spektakel beloofd en die belofte werd ook ingelost. Dag 2 was een éclatant succes.

Het hele Masada-gegeven draait eigenlijk niet om een band, maar om composities. Zorn schreef er een hele hoop in de vroege jaren negentig en nam heel wat van die stukken op met zijn befaamde band: zo verschenen op een paar jaar tijd een stuk of tien studioalbums van het kwartet (en het zou duren tot 2009 voor ze weer in de studio belandden, weliswaar met vijfde man Joe Lovano erbij). Naast het kwartet verschenen echter al snel andere ensembles – het Masada String Trio en het Bar Kokhba Ensemble zijn daarvan de bekendste – die de composities op een andere manier konden aanpakken. Op die manier wist Zorn een grote hoeveelheid aan materiaal nog eens verschillend in te kleuren naargelang de bezetting.

Dat deed hij begin vorig decennium dan nog eens over met het tweede ‘Masada songbook’, de zogenaamde Book Of Angels. In deze reeks zijn reeds zeventien albums uitgebracht door verschillende bezettingen, gaande van solowerk tot kleine en grotere bezettingen, van bezwerende klezmer tot noisy jazzrock. Een van de boeiendste gevolgen is dat je soms verrassende variaties op bekende composities krijgt, waarbij het soms gissen welke versie je al eerder kende. Dat enkel composities uit het tweede songboek zouden gespeeld worden klopte niet. Maar dat kon de pret nauwelijks drukken.

Als Uri Caine het podium opwandelt en plaats neemt, dan ga je denken dat er een jongere versie van Randy newman aan de piano zit, maar na enkele seconden wordt duidelijk dat het gaat om een muzikant van een heel andere orde. Caine is een pianist die thuis is in de avant-garde, de jazz en de klassieke muziek (en zelfs naam en faam verwierf met interpretaties van o.m. Bach en Beethoven) en net als Jamie Saft behoort tot de meest complete muzikanten waar Zorn de voorbije jaren mee samenwerkte. Z’n zo goed als ononderbroken recital, waarbij hij midden in het enthousiaste applaus gewoonweg overschakelde naar nieuwe stukken, liet meteen een imposant staaltje van z’n kunnen horen, met zowel hypercomplexe, niet aan een genres gebonden puzzels, als werk dat iets eenvoudiger van opzet was.

Jazz, een flard ragtime, kamermuziek, moderne klassiek: het zat allemaal in het eerste stuk, dat haast uit z’n voegen barstte van de kleurrijkheid en versieringen. Het is daarbij duidelijk dat Caine een klassieke achtergrond heeft: z’n aanslag en melodisch vernuft is imposant en trefzeker, ook binnen geïmproviseerde stukken, met handen die nu eens als zotten racen over het ivoor en dan weer strelende bewegingen maken. Voldoende afwisseling was er zeker: na een moment van weerbarstige energie volgde doorgaans even een moment van ingetogenheid met fragiliteit en meer stilte. Maar er zat ook taaie avant-garde in, waarbij Caine’s tweehandige aanpak aan Borah Bergman deed denken. De laatste twee stukken kregen sneller en coherenter vorm en waren de ideale aanloop naar het volgende concert.

Het vrouwenkwartet Mycale, met zangeressen uit drie verschillende continenten, zorgde begin 2010 voor een van de mooiste en meest verrassende volumes uit de Book of Angels-reeks, op het kruispunt tussen wereldmuziek, klezmer, folk en jazz, die volledig in het teken van het eclecticisme stond. Verschillende invloeden, stemmen en talen werden in de Zornblender gegooid en zorgden bij momenten voor een prachtige luisterervaring. De vier vrouwen brachten live zowat het volledige album (slechts één nummer ontbrak), te beginnen met opener “Uzziel”, dat hun woordenloze stemmenrijkdom meteen centraal stelde. Terwijl Malika Zarra zorgde voor een repetitieve ondergrond konden de andere drie vrouwen harmoniëren en variëren naar hartenlust. Was het nu eens bijzonder sensueel (“Tehom”), dan gingen ze daarna het drama niet uit de weg. Sofia Rei’s solomoment in “Ahaha” zorgde voor een eerste kippenvelmoment, miniatuurcinema met een in weemoed gedrenkte intensiteit.

Er werd gespeeld met glottisslagen, ritmisch gezucht en gekird van blijdschap. De weg die het kwartet aflegde tussen “Asaph” en “Moloch” was ronduit meeslepend, waarbij zowel Malika Zarra, Basya Schechter, Ayelet Rose Gottlieb als Sofia Rei Koutsovitis (de facto leider met de stemsleutel) het voortouw konden nemen, het tempo bepaalden of zorgden voor spanning en bedwelmende melodieën. Het was elegant en speels, introvert en vurig, met een vlechtwerk van stemmen dat niet anders gezien kon worden dan een ode aan het muzikale pluralisme. Onze dag kon al niet meer stuk, en het beste moest nog komen.

Het Bar Kokhba Sextet bestaat enkel uit tot de verbeelding sprekende namen, met het Masada String Trio (Erik Friedlander op cello, Mark Feldman op viool, Greg Cohen op contrabas), aangevuld met gitarist Marc Ribot, drummer Joey baron en percussionist Cyro Baptista. Al ruim vijftien jaar behoort dit gezelschap tot een van de meest prestigieuze projecten van de Zorn, waarbij hij de sowieso al erg rijke Masadacomposities kan laten uitvoeren op een nog verfijndere manier met een warmbloedige instrumentatie. Dit Sextet speelt het spel dan ook eleganter, exotischer en gestroomlijnder. Wat altijd spectaculair om te zien is, is het evenwicht tussen aangereikt materiaal – de stukken bevatten allemaal erg sterke thema’s – en de manier waarop Zorn z’n muzikanten ter plekke dirigeert, met uitvoerige handbewegingen, aanmoedigingen en bijsturingen om de spanning de hoogte in te drijven, te zorgen voor contrastwerking of nieuwe wendingen.

Opener “Sother” pakte meteen uit met die voluptueuze sound, met pizzicato bespeelde strijkers, de meteen herkenbare surfgitaar van Marc Ribot en de swingende en dansende ritmes van Baron (zet een optreden lang een camera op ‘s mans hoofd en een grijns is niet van je gezicht te krijgen) en Baptista. Meteen valt ook op wat een veelheid aan invloeden deze uitvoeringen bevatten: zitten de strijkers van “Dalquiel” op het terrein van de meeslepende kamermuziek en wordt geflirt met de tango in “Kochot”, dan vloog het korte, driftige “Karet” – een afmattende turbosparring voor de strijkers en Baron – meteen in de richting van de knetterende gekte. Dat is trouwens een compositie die, net als het erop volgende “Hazor” en “Kisofim”, ook al terug te vinden was op de dubbelaar The Circle Maker (1998), waarmee er ook ouder werk aan bod kwam.

Terwijl je zou kunnen zeggen dat binnen dit Sextet een grotere controle van de componist heerst dan bij Masada, en bijgevolg een beperktere vrijheid voor de muzikanten, werd hier toch gemusiceerd met een uitgelatenheid en aanstekelijke naturel die ronduit schitterend was. Elke muzikant kreeg daarbij regelmatig de kans om het voortouw te nemen, al dan niet opgejut door Zorn, wat bij momenten voor ronduit spectaculaire resultaten zorgde, zoals het furieuze gitaarspel van Ribot en de divers ingevulde wisselwerking tussen Feldman en Friedlander (van luchtig tokkelen tot sierlijk strijken en agressief schrapen). De tent stond op z’n kop, de band kreeg een staande ovatie en reageerde door er met een walsend bisnummer nog een hoogtepunt aan te breien. De lat was gelegd.

En later bleek dat zelfs het Masada Sextet – het kwartet Zorn, Baron, Cohen en trompettist Dave Douglas, aangevuld met percussionist Baptista en pianist Caine – dat zelfs niet zou kunnen overklassen, al leidde het bijna tot een evenaring van dat niveau. Ook bij Masada enkele oude knallers die al sinds midden jaren negentig meegaan, maar hier en daar wel in bijzondere uitvoeringen. Het was ook een verrassing om de band meteen van leer te horen trekken met een wilde opener, waarbij de kaart van de grilligheid getrokken werd, met nerveuze erupties die voorzien waren van een speelsheid en spontaniteit die in zijn latere werk minder te horen is dan in de pioniersdagen. Masada plukte uit Lucifer, maar eveneens passeerde ouder werk, soms in een gewijzigde variant. Zo kreeg Caine de kans om “Haamiah” op gang te brengen, dat snel al verder ging met die kenmerkende dubbele frontlinie van Zorn en Douglas, die nu eens op een lijn liggen en dan weer rond elkaar vervlochten zitten in een eindeloze reeks variaties en verschuivingen.

De rol van Caine en Baptista woog trouwens niet op tegen de bijdragen van de originele leden. Meer nog: hoewel de extra percussie het allemaal wat exotischer maakt en Caine het geheel soms zelfs iets meer in de richting van de meer traditionele jazz leek te stuwen, verliest Masada vooral aan explosiviteit door niet in originele bezetting te spelen, waarbij elk lid een evenwaardige bijdrage kan leveren. Al blijft het natuurlijk een festijn om Douglas door de knieën te zien buigen met spel dat nu en dan wat deed denken aan z’n Brass Ecstasy-project en Baron naar goede gewoonte te horen (én zien) soleren tijdens klassieker “Beeroth”. “Psisya” zorgde voor een prachtig moment van ingetogenheid in een set die eigenlijk de bovenmenselijke vurigheid van de meest legendarische Masada-concerten ontbeerde.

Kortom: het Sextet bewees in staat te zijn om bevlogen en virtuoze concerten te kunnen spelen, met twee vingers in de neus zelfs, want daar zorgen de individuele kwaliteiten en composities wel voor. Anderzijds kan je niet echt beweren dat de uitbreiding ook een verbetering is, hoe indrukwekkend bisnummer “Idalah-Abal” ook mocht zijn. Een evenaring van de triomf van 1999 zat er dus niet in, maar als je het dan van op afstand bekijkt, dan besef je weer dat een spetterend concert van deze kerels nog steeds van een niveau is dat velen ambiëren, maar weinigen bereiken. Het sloot de festivaldag dan ook af met een zoveelste hoogtepunt.

Alhoewel, het zat er nog niet helemaal op, want Zorn speelde om middernacht nog een orgelconcert voor beperkt publiek in een Protestantse kerk. Met de kap van z’n hoodie over het hoofd getrokken zeeg hij neer achter het orgel en ging meteen van start met een drone van ronkende baspedalen. Meteen kreeg je het gevoel terechtgekomen te zijn in een van de omgevingen die je die dag niet eerder hoorde: die van de magick, de sinistere albums waarbij alchemie en transgressieve verwijzingen bepalend zijn. Zorn speelde een goed halfuur ononderbroken, en het leek wel alsof hij continu de mogelijkheden van het instrument zat uit te testen, door te werken met verschuivingen, aanzettingen en soms abrupte contrasten.

Het sloot aan bij de onheilszwangere bewerkingen van klassieke componisten die je op albums als Naked City’s Grand Guignol en het hoorspel Elegy kon horen, waarbij hier en daar een flard melodie te ontwaren viel, maar vooral gespeeld werd met dynamiek. Door de snelle opeenvolgingen van bewegingen leek het stuk aanvankelijk samenhang te missen, al werd gaandeweg duidelijk dat het ging om meer dan zomaar een vrijblijvende oefensessie. Het ingetogen einde zorgde zelfs voor een moment van pure schoonheid.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST